Overgangsrecht Persoonlijk Opleidingsbudget (P.O.B.) per 1 januari 2008

  1. De opbouw van het Persoonlijk Opleidingsbudget (P.O.B.) eindigt per 1 januari 2008. De uitzendkracht die werkzaam is in fase B en voor 1 januari 2008 een persoonlijk opleidingsbudget (P.O.B.) heeft opgebouwd, behoudt het recht op P.O.B..


  2. Het P.O.B. werd voor 1 januari 2008 als volgt opgebouwd: de opbouw van het P.O.B., bestaande uit 1,0 procent van het feitelijk loon, ving aan in fase A na in 26 weken arbeid te hebben verricht. In fase A bestond geen individueel recht op het gebruiken van het P.O.B. voor de uitzendkracht. Vanaf het moment dat de uitzendkracht werkzaam was in fase B werd de opbouw van het P.O.B voortgezet met 1,0 procent van het feitelijk loon.


  3. De in artikel 43 lid 3 vermelde collectieve scholingsbestedingsverplichting ad 1,02 procent omvat tevens alle uitkeringen in het kader van een P.O.B. en in dat kader bestede scholingskosten.


  4. De uitzendkracht, op 1 januari 2008 werkzaam in fase B, zal in overleg met de uitzendonderneming het tot 1 januari 2008 opgebouwde saldo van het P.O.B. aanwenden voor opleidingsdoeleinden. Alle directe scholingskosten als bedoeld in lid 2 van dit artikel gemaakt ten behoeve van die uitzendkracht, ook in fase A, zowel door de uitzendkracht als door de uitzendonderneming, zullen worden verrekend met het saldo van het P.O.B., dan wel de collectieve som ad 1,02 procent. De indirecte scholingskosten zullen worden verrekend met de collectieve som ad 1,02 procent.


  5. Voor zover een uitzendkracht gedurende fase B geen scholing heeft genoten zal het resterend saldo van het P.O.B. zes weken na het einde van het dienstverband automatisch worden uitgekeerd, tenzij:


    1. aansluitend aan fase B een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met de inlenende onderneming dan wel overgegaan wordt naar fase C bij de uitzendonderneming waar de uitzendkracht werkzaam is;


    2. scholing aan de uitzendkracht is aangeboden, maar door deze is geweigerd;


    3. de uitzendkracht een dringende reden heeft gegeven tot beƫindiging van de uitzendovereenkomst. Uitkering van het resterend saldo van het P.O.B. als hierboven onder lid 5 bedoeld kan, indien de uitzendonderneming dit wenst en de uitzendkracht daarmee instemt, tevens geschieden in de vorm van een scholingsvoucher.


  6. De uitzendkracht die een detacheringsovereenkomst heeft in fase B en P.O.B. heeft opgebouwd voor 1 januari 2008, heeft recht op scholing indien en voor zover zijn P.O.B. toereikend is voor de financiering daarvan.


  7. De uitzendonderneming is bevoegd bij de uitzendkracht, indien en voor zover het P.O.B. niet toereikend is voor de financiering van de scholing, een eigen bijdrage in de scholingskosten te bedingen. Deze eigen bijdrage zal niet meer bedragen dan 50 % van het meerdere boven het P.O.B.. De bijdrage kan bestaan uit een bijdrage ineens en/of een periodieke eigen bijdrage. Deze laatste kan gedurende de uitzendovereenkomst bestaan uit een inhouding per uur.


  8. Indien de uitzendonderneming meer scholingskosten vergoedt dan dat het P.O.B. bedraagt, kan de uitzendonderneming voor dat meerdere bij de uitzendkracht bedingen dat hij dat geheel of gedeeltelijk terugbetaalt als de uitzendkracht de opleiding niet (met goed gevolg) afrondt of de uitzendovereenkomst voortijdig op initiatief of door toedoen van de uitzendkracht wordt beƫindigd. In dat geval treft de uitzendonderneming een redelijke terugbetalingsregeling met de uitzendkracht. Deze terugbetaling zal niet meer bedragen dan de bijdrage van de uitzendonderneming boven het P.O.B.. Tevens is de uitzendonderneming bevoegd tot verrekening van dat meerdere bij de eindafrekening.




naar boven

terug in history